Partners

Proefstation voor de Groenteteelt  i.s.m. Proefcentrum Hoogstraten, Ilvo Afdeling Plant, Gewasbescherming, UGent Faculteit Bio-ingenieurswetenschappen – Vakgroep Gewasbescherming

Soort project

IWT

Duur

01/11/2011 – 31/10/2015

Contactpersoon PSKW

Lieve Wittemans & Els Berckmoes

Korte inhoud

Tuta absoluta (Meyrick) is een Zuid-Amerikaanse plaag die sinds 2009 ook in Vlaanderen voorkomt. Het larvale stadium van de mineermot kan aanzienlijke schade aanrichten aan de tomatenteelt doordat zowel bladeren, vruchten als stengels aangetast worden. Bladschade leidt tot productieverlies en aangevreten vruchten zijn niet meer verkoopbaar. De aanwezigheid van T. absoluta in de Vlaamse serres heeft geleid tot exportbeperkingen naar bijvoorbeeld de Verenigde Staten.

Dit project heeft tot doel een duurzame, biologische gebaseerde beheerstrategie te ontwikkelen voor de bestrijding van T. absoluta. De chemische bestrijding van T. absoluta blijkt moeilijk en is vaak niet efficiënt, enerzijds door resistenties die de mot heeft opgebouwd tegen verschillende insecticiden, en anderzijds doordat een groot deel van de ontwikkeling zich afspeelt in de plant of in de bodem, waar het insect moeilijk of niet bereikbaar is voor de meeste gewasbeschermingsmiddelen. Bovendien is een volledig chemische bestrijding niet in overeenstemming met de reguliere bestrijding en de Europese richtlijnen rond duurzame teelt.

Een geïntegreerde beheersstrategie kan slechts succesvol zijn wanneer:

  •  Er voldoende kennis is over de ontwikkeling van plaag en nuttige onder Vlaamse serrecondities:  Hiertoe werden bij aanvang van het project een 8-tal praktijkbedrijven geselecteerd die opgenomen werden in een zeer intensief monitoringsprogramma. De monitoring toont aan T.absoluta momenteel jaarrond op de bedrijven aanwezig is. Hierdoor is T. absoluta vaak al op de bedrijven aanwezig nog voordat de natuurlijke vijand M. pygmaeus in de teelt wordt uitgezet. Dit maakt dat vanaf de planting totdat M. Pygmaeus voldoende aanwezig, bij gebrek aan biologisch evenwicht, chemisch wordt ingegrepen. Daarnaast toont de bedrijfsopvolging aan dat in aanloop van de teeltwissel, de teler acties moet ondernemen om de populatie van T. absoluta tot een minimum te herleiden bij aanvang van de nieuwe teelt.
  • Er natuurlijke vijanden commercieel beschikbaar zijn: Momenteel is M. pygmaeus de enige natuurlijke vijand die toegelaten is in Vlaanderen én die commercieel beschikbaar is. Verschillende praktijkproeven geven aan dat een biologisch evenwicht reeds vroeg in het seizoen bekomen kan worden. Correct bijvoederen blijkt essentieel om de aangroei van de populatie te bevorderen.  M.pygmaeus consumeert in hoofdzaak de eieren van T.absoluta en uitzonderlijk de larvale stadia. In het project wordt verder gezocht naar een geschikte natuurlijke vijand ter aanvulling van M. pygmaeus. Enkel inheemse natuurlijke vijanden komen momenteel in aanmerking binnen het project. Potentiële uitheemse natuurlijke vijanden worden in eerste instantie niet nader bekeken rekening houdend met de consequenties van het Nagoya protocol over “Acces and Benefit-sharing”.
  • De ingezette natuurlijke vijand verenigbaar is met de toegepaste chemische bestrijdingsmiddelen. Binnen het project worden reeksen neveneffectenproeven aangelegd om mogelijke toxiciteit van gewasbeschermingsmiddelen voor M.pygmaeus en mogelijk nieuwe natuurlijke vijanden in kaart te brengen.
  • Voldoende kennis over de chemische middelen beschikbaar is. Indien chemisch ingegrepen moet worden dient het correcte middel op het juiste ogenblik toegepast te worden. Enerzijds wordt in het project onderzoek uitgevoerd rond de mogelijke neveneffecten voor nuttigen, anderzijds wordt er dieper ingegaan op de werkingsmechanismes en toepassingstijdstippen van de middelen. Meer inzicht in de efficiëntie van de beschikbare gewasbeschermingsmiddelen en de effectiviteit tegenover de verschillende stadia van T. absoluta is noodzakelijk.
  • Een beslissingsboom en richtlijnen worden opgesteld. Binnen het project wordt er naar gestreefd de teler als het ware een beslissingsboom aan te reiken waardoor hij de ernst van plaag correct kan inschatten. Aan de basis hiervan liggen zogenaamde drempelwaardes. Afhankelijk van de overschrijding van bepaalde drempelwaardes zullen correctiemiddelen, hetzij biologisch hetzij chemisch, toegepast moeten worden rekening houdend met de nuttigen.

infofiche tuta